"THERE'S NO POINT" (Tekst catalogus)

 

"There's no point"

(houtskooltekeningen Chris Vanderschaeghe in Galerie Pinsart)

Kijk, met de handen!

Mijn eerste confrontatie met het oeuvre van Chris Vanderschaeghe (°Gent, 1970) dateert van jaren terug. Van toen de jonge Bruggeling Sammy Slabbinck tussen Vismarkt en Astridpark nog zijn kleine galerie, "Art Store", runde. Zoals alles wat Sammy op deze smalle, doorgaans drukke boodschappenroute grenzend aan het stadscentrum aan de stappende of fietsende passanten en verwaaide toeristen openbaarde, waren ook de werken van Vanderschaeghe relatief klein van formaat. Wie bij "Art Store" gezien wilde worden, moest zich genoodzaakt enigszins inhouden. Een uitdaging. Gebald kan immers ook tot de verbeelding spreken. En zelfs piepklein kan mateloos inspireren. Kijk maar naar de miniatuurtjes die Robert Devriendt de laatste jaren schildert. Kleinodiën in meerdere betekenissen.

Zonder op irritante wijze het puur esthetische tegemoet te komen, betrof het wel werk dat in menig interieur zijn weg zou (kunnen) vinden. Het werk van Chris Vanderschaeghe schrankte zich daar moeiteloos tussen en hing er met regelmaat te kijk. Ik herinner me nog dat de kunstenaar, die normaliter al wat met televisie te maken heeft bewust aan zich voorbij laat gaan, het zichzelf had opgelegd om eens een vol jaar met die traditie te breken… Een jaar lang de zo kostbare stilte bannen: je moet goed gek zijn!

Ook de reeks "Not see", waarin mensen (vooral kinderen?) waren neergezet die niet keken, niet wilden of niet durfden kijken (galerie Pinsart), houdt zich nog ergens op in mijn herinnering. De beelden raakten me wel en troebleerden me bij momenten, maar bleken naderhand - merkwaardig - niet echt beklijvend. Het is een woord, dit laatste, waar we spaarzaam moeten mee zijn. Was het de vaagheid? Het schimmige? "Tuymans" toch ook, denk ik dan. Maar "de" kampen, dat verre, zo vast in het geheugen verankerde massale noodlot, dat oorlogsverleden… Het zit zo vast in veler koppen gebeiteld.

Wat Vanderschaeghe met veel gevoel verbeeldde was misschien al teveel "gemeengoed" geworden. Slikken we niet dagelijks emmers onheil, in hoofdzaak op tv-formaat, terwijl we gewoon verder gaan met ons leven? Ooit zag ik mensen schaamteloos zonnebaden op plaatsen waar een paar uur daarvoor de zee duizenden soortgenoten de dood had in gesleurd! Zijn we immuun geworden, behalve voor datgene waarvan we altijd opnieuw (en terecht) zeggen : dit nooit meer?

Toen ik voor het schrijven van deze tekst een wijle met de kunstenaar in Galerie Pinsart toefde om er zijn recente werk af te tasten, werd onverwacht nog zo'n "oud" doekje van Vanderschaeghe opgediept. In een oogopslag zie je dat het om een gestold tv-fragment gaat: een zeer herkenbaar beeld. Een knap (koket bijna) vormgegeven suggestieve link naar iets dat aan geweld appelleert. En voorts, wellicht het moeilijkste voor de kunstenaar: een geslaagd gevecht met de kleur. Het als dusdanig omschreven en moeilijk te definiëren "blauwe uur" komt aardig in de buurt. Vanaf die "gloed" houdt de Bange Blanke Man zijn voor- en achterdeur flink gesloten… Kleur. Zij bepaalde niet in het minst suggestie en sfeer. Een vluchtig tv-moment was een halt toegeroepen. Maar was het realiteit of fictie? Die grens is flinterdun geworden. Een schilderij is het! Het speculeren kan beginnen. Wat deed de kunstenaar met het oorspronkelijke beeld? In welke mate had hij het gemanipuleerd? Tijd en verf hadden ruimte geschapen. En in die ruimte kon van alles gebeuren.

Ik ben Vanderschaeghes werk blijven volgen. Blijven "zien" in elk geval. Het kwam me wel eens voor dat hij zich - in groepstentoonstellingen - wat in de periferie liet verdringen. De dingen ook nogal prudent neerzette. Wat ingehouden. Of keek ik onvoldoende diep? Was die vaagheid er met opzet? Een beetje zoals de kunstenaar zich aan me openbaarde. Zoals hij praat ook: behoedzaam, geen grote bek. Maar goed, me in werk echt verdiepen of verliezen doe ik vooral wanneer ik in de pen moet kruipen. Het zal deels aan mij liggen.

Het verbaast me bijzonder dat ik dit keer met compleet ander werk word geconfronteerd. Vooreerst de maat der dingen. Die is ongemeen toegenomen. Ik kijk naar enorme lappen! Dit is een andere Vanderschaeghe. Grijpt hij zijn kans nu hij heel wat ruimte krijgt? Voorts is er van verf geen sprake meer. Houtskool! Hij gaat voor de tekening. Hoewel. Op de duur gaat hij met zijn langzaam koolzwart geworden handen "schilderen". Ook hier een wat voorzichtige aanzet. Maar kijk, naarmate de volslagen nieuwe reeks ("There's no point") vordert, wordt ook van houtskool gewisseld. Ze is nu van Siberische komaf! En donkerder heb je ze niet. Zwarter bestaat niet! Gaandeweg moet ook de drager mee evolueren. Het werken wordt immers intenser en hectischer, zodat het papier wel steviger moet.

Vanderschaeghe lijkt ontketend. Remmen los. Eindelijk, zou ik zeggen. Dit is uitbreken. Het lijkt alsof de verhalen er uit moéten. Steeds zonder woorden uiteraard. Beelden. Met zwart en wit en alle tussentonen. Dat blijkt te volstaan. Een wat warrige story, tot je de stukken van de puzzel bij elkaar begint te harken. Maar waar starten je?

In zijn nieuwe reeks tekeningen - ze liggen her en der verspreid of het zijn pijlers uit een nieuw oeuvre die als stevige palen boven water staan en nog dienen ontrold - worden beelden en verhalen in je gezicht gegooid. Elke prent is bij nader toekijken een verhaal op zich. Elke tekening zet je fantasie op weg of roept vragen op. Het is kiezen. En raden, telkens weer: hoe dicht zitten we tegen de realiteit of de fictie aan?

Vanderschaeghe laat vandaag duidelijker dan ooit zien hoe dicht de dingen in onze maatschappij op elkaar zitten. Er valt nauwelijks nog een onderscheid te maken. Eén (vaak bizarre) wereld. Tekens aan de wand? Toen nog op de grond vaak. Want hoe gaan we die lappen aan de muur krijgen? En vanuit welke tekening start je een verhaal? Drie vrouwen? Dat kind? Die dokter?

Wat hebben we nog meer geleerd? Dat de kunstenaar deze techniek toch wel bijzonder goed beheerst. Zwart-wit en alles daartussen, maar ook licht. Of hij als kind al tekende? Ja, op z'n 15de zijn eerste olieverfdoekje, maar de kunstenschool mocht niet. En hij keek graag en gretig naar Turner. Die schilderde hij na. Sfeer! Dreiging! Dat is wat ik voel bij Turner en wat Vanderschaeghe met deze reeks absoluut weet te bereiken. Natuurlijk doen die schorten daar een serieuze geut bij. Maar je zal zien: niets van wat in onze jeugd is gebeurd, is belangeloos voor wat zich later reveleert. Tot de laatste lichting zowat behoorde de kunstenaar van zij die op school een schort of stofjas hoorden te dragen. Ook de volwassenen. Ook zij die voor de klas stonden waren in zo'n ding gehuld. Het heeft indruk gemaakt op de kleine Vanderschaeghe. Vandaag compleet vergeten in tijden van Touch Screens. Meneer, krijt, wat is dat? En houtskool? Zouden ze dat nog weten?

Wat Vanderschaeghe nu tekent beklijft meer dan ooit. Het grijpt je naar de strot. Elk werk vertelt zijn eigen verhaal, maar bovendien kan de beschouwer door beelden aan elkaar te linken zijn eigen verhaal op poten zetten. Ongeremd kan hij tekeningen en momentopnames selecteren, laten samenvallen, manipuleren. De beelden vertegenwoordigen een immens scala aan gevoelens. Beangstigend bijvoorbeeld is het meisje, een kind nog eigenlijk, met sigaret. "Roken" en "smoren". We kennen ten onzent met z'n allen onderhand het onderscheid. Niet dat van het Algemeen Nederlands en het dialect. Dat van de inhoud. Het beeld kan herinnering oproepen. Herkenning. Het kan ook echt zijn. Maar net zo goed een nachtmerrie. Het begin van een vroege, onverbiddelijke aftakeling. Een tragisch beeld. Bijna onverdraaglijk.

Er zijn de drie vrouwen, in jassen gehuld, in zichzelf gekeerd. Ze lijken op onheil te wachten. Zijn verdriet aan het verwerken. Ik zag een dokter. De kunstenaar zag vaak dokters toen hij nog een jongetje was. De man schrijft. Schrijft voor. Een bulletin. Een medisch dictaat? De oorlog komt akelig dicht in de buurt. Maar dat is ook zo. Continu. De bekende brug in Mostar (Joegoslavië). Hoe lang duurt een vliegreis daarheen?

De gekte van de kostumeringen. Het verhullen van de ernst. Verpakking? Mag er nog gelachen worden? Of is dit helemaal niet om te lachen? Ik zie voorts angst in gesperde, lege ogen. Zo leeg als de dood. Of is het moeizaam herstel na trauma? Het verhakkelde gebit. De schade is onherroepelijk. En het lijk dat er ligt. In streepjeshemd. Het bloed dat uit de mond sijpelt. Zinloos geweld? Ook zo dicht op onze huid. Overal, maar ook hier. Om de hoek.

De hectische wereld die Vanderschaeghe vandaag met schaarse, eenvoudige tools neerzet lijkt me bijzonder actueel, zelfs wanneer het om beelden gaat die je niet meteen kan plaatsen. Opwekkend is het niet. Hij verbloemt minder dan ooit tevoren. Hij vergroot de gekte uit. Hij hangt ons - wellicht ongewild - een spiegel voor. Kijk, zo gek is het allemaal! Het lijkt erop alsof ook deze minzame kunstenaar niet ongevoelig kan blijven voor wat zich rondom ons aan het voltrekken is. De idyllische Amerikaanse slee sleurt bij mij meteen het fenomeen "Fannie Mae" voor de geest. Was dat niet de start van de nachtmerrie van de Amerikaanse Vastgoedluchtbel? De nostalgie van de stevige schoolbus, waarbij ik spontaan de gele kleur bedenk, en de palmbomen, appelleren vandaag meer aan de stevigheid van de carrosserie dan aan onbezorgde ritten van en naar school. Gewapend staal is het dat rijdend tal van gevaren hoort te trotseren. Een gepantserde bus in een land vol wapens en heethoofden.

Krant, internet, video, film, tv… De kunstenaar capteert en geeft vorm op zijn manier. Langzaam, maar stil gedreven bouwt hij zijn eigen verhaal. Zij die het werk zullen aanschouwen gaan er talloze bij fantaseren. Door dingen weg te halen en de kleur te bannen voert hij de suggestie op.

De grote formaten zorgen ervoor dat je a.h.w. in het werk kan instappen. Er deel van uitmaakt. Sommige tekeningen ondergaan zelfs een surreële ingreep of krijgen een verrassende cadrage. En na verloop van tijd creëert hij met zijn handen. Je ziet de sporen. Hij verdoezelt niet. De afstand tussen geest en poot is opgebruikt. Her en der laat hij het licht binnen. Het speelt een grote rol.

 

Johan Debruyne

criticus

Brugge, april 2012