Chris Vanderschaeghe

 

Het werk van Chris Vanderschaeghe beschrijven is op het eerste zicht gemakkelijk. De aandachtige kijker merkt al vlug de wazige gezichten op die in een soort abstracte cocon lijken te zijn gevangen en men denkt al vlug dat daarmee de kous af is. Niets is echter minder waar. Juist op dit moment lijkt Chris hier boven zichzelf uit te grijpen . Het vasthouden aan de wederzijdse onherleidbaarheid van de klassieke figuratie en de moderne ervaring van de abstractie lijken een ruimte open te breken waarin meer dan alleen maar een mimesis of een concept op het spel staat .

Chris is voor mij een prachtig voorbeeld van iemand die een inzicht te bieden heeft in wat we het 'karakter van een werk' kunnen noemen in de betekenis die aan doe term in Der Ursprung des Kunstwerkes door Heidegger gegeven wordt. Een kunstwerk beeld niet zomaat iets af (mimesis). Het brengt iets tot stand wat er zonder dat werk niet zo zijn. Op die manier vertelt het zelfs iets over onze ontologische structuur, onze manier van geworpenheid in deze wereld, onze condition humaine.

Deze gedachten wil ik nu wat verder uitwerken. Neem nu de werken 'sleepers', deze schilderijen van Chris tonen iets - brengen iets aan het licht- wat anders (ondanks het feit dat we figuren waarnemen die op een bepaalde manier in een cocon zijn gevangen) niet zou opvallen: " het kunstwerk geeft te kennen wat het 'slapen' in deze betekenis in waarheid is".

Het gaat hier niet louter om slapen, maar om een soort comateuze toestand die opborrelt van het onderbewustzijn, vanuit het Es.

Heidegger verduidelijkt deze situatie als volgt: :"In het werk van de kunst heeft de waarheid van het zijnde zich in het werk gesteld. Stellen betekent hier tot staan brengen. Een zijnde, een situatie, komt in het werk in de openheid en het licht van zijn zijn te staan". De schilderijen van Chris hebben maw volgens Heidegger'gesproken'.

De schilderijen zijn uit hun gewone gebruikssamenhang gehaald, tonen zich en daardoor toont zich ook die samenhang- de (vermeende) wereld van het concept. Maar niet alleen de wereld, ook wat Heidegger 'aarde' noemt evoceert zich in het materiaal waaruit het kunstwerk is gemaakt en dat wordt niet verbruikt maar juist alleen maar 'getoond'. De verf 'toont' zich aan het dasein op een dusdanige manier waardoor een schilderij verschijnt. Zo verschijnt bijvoorbeeld ook de taal in een gedicht, schilderij of beeldhouwwerk . De woorden, die klanken , de beelden worden er niet gebruikt om iets mee te delen, ze doen meer dan verwijzen, ze roepen iets op (evoceren), en laten daarbij zichzelf zien. Een kunstwerk steekt stokken in de wielen van de taal. Ze brengt de taal "tot staan" (tot stand, tot stilstand)- het kunstwerk is in de klank, in plaats van omgekeerd.

Die eigenaardige stilstand die laar verschijnen,die niet-fucntionaliteit van de kunst licht bovendien iets op van onze ontologische structuur, van ons mens-zijn.

Het werk van Chris heeft bijvoorbeeld een grens, een contour, een kader. Daardoor is het zoals men zegt, een wereld op zich. Het stopt echter niet aan die grens. Wat het toont, laat zien, toont het vanuit die grens. Vanuit de peras (geen einde, maar einder) treedt iets in de onverborgenheid, maar - en dit is cruciaal - dat iets is niet beperkt tot wat zich in strikte zin binnen de contouren van het werk bevindt. De rand van het schilderij maakt juist de onzichtbare ruimte van de lucht zichtbaar.

Het onverzettelijke van het werk steekt af tegen het woelige baren en laat juist door zijn rust het zieden van de zee verschijnen. De lijnen, de figuren, de ongestileerde vormen krijgen pas reliëf en gestalte en komen zo pas te voorschijn als dat wat ze zijn. Kunst maakt de wereld opnieuw (of voor het eerst) en onvertrouwd, zij onderbreekt de normale gang van zaken( ze maakt een cesuur in de tijd) en "stoot die omver". Het ontsluit een wereld en plaatst die tegelijk terug op aarde, die op die manier zelfs pas als geboortegrond te voorschijn komt.

Chris is waarlijk een meester van de metafoor (die altijd wat anders zegt) en van het oxymoron (dat altijd de gelijktijdige aanwezigheid van tegendelen uitspreekt). Deze beweging tussen de metafoor en het oxymoron karakteriseert sterkt de artistieke taal van Chris en maakt dat zijn werk ook bijzonder moeilijk in categoriën te plaatsen is, te onderscheiden naar vorm en soort.

Wat 'toont' Chris ons nu? Het is niet zo dat hij 'het Zijn' uitspreekt, maar anderzijds probeert hij er wel mee te wedijveren: ars imitatur naturam in sua operatione . Hij ziet de wezelijke dubbelzinnigheid van de taal als taak en probeert die te exploiteren om er niet een overschot aan zijn, maar een overschot aan interpretatie ui te laten komen. Het is die 'overschot' waarom het te doen is.

We kijken naar dit werk en stellen ons de vraag hoe we dat doen, wat we zien, en of er een moment komt waarop dit discours kan stoppen. Het antwoord is 'nee' , want in geen enkel discours houdt op enkel en alleen vanwege het feit dat we 'iets mooi vinden' of omdat we de gezichten waarnemen. Sterker nog, het is juist op dat moment dat het discour ons vraagt om in de interpretatie hervat te worden en dat we verplicht worden in dat 'vergeten' te gaan graven en te breken met allerlei esthetische en /of kunsthistorische categorieën. De vertroebelde blik die op het eerste zicht belet om naar het niveau van het kennen door te brekenwijst op een achtergrond. De these van het altijd al aanwezige, de iure herkenbare maar de facto miskende object dwingt ons om daarbij na te denken over de idealisering van de oorsprong.

 

Dirk Plaetevoet, (Ph.L et Mphil)