THERE'S NO POINT (Chris Vanderschaeghe in Galerie Pinsart)

 

"Als ik naar de tuin kijk, dan zie ik een lopend buffet. Alles is continu bezig elkaar op te eten, te overwoekeren. De natuur is gewelddadig en wij, kinderen van de natuur, zijn even wreed, onverschillig en harteloos. Gelukkig worden we niet genoeg getart om het beest in ons los te laten. Meestal komen we toe met het beste van onszelf. Het menselijke repertoire met al zijn gruwelijkheden blijft slapend. Dat noemen we dan fatsoen.

Toen ik dit las (het citaat komt uit "Grote vrouwen", een recente bundeling interviews van Hugo Camps), dacht ik onwillekeurig aan het recente werk van Chris Vanderschaeghe. Alleen, het menselijke repertoire leek me abrupt wakker geschud. Beelden bedriegen.

Ik had het oeuvre niet zo lang geleden, hier in de galerie, kunnen bekijken. Het was laveren geblazen tussen grote vellen die op de grond lagen. Hoe presenteer je dit? Hoe organiseer je een confrontatie met dit repertoire suggestieve beelden? En hoe geef je datgene wat je wegplukte, afzonderde, versoberde, reduceerde, bezielde, naar je hand zette… opnieuw een context? Het dromen, woekeren en koesteren zat erop, het vormgeven was af, al wat geopenbaard moest worden was klaar voor de confrontatie met het publiek. Alleen dit ene probleem diende nog aangepakt. Er was weer nood aan vindingrijkheid, empathie, inzicht nog het liefst, en fantasie.

*Ik heb het relatief uitvoerig neergepend in het voorwoord van de kleine catalogus. Tot voor deze tentoonstelling scheen het me toe alsof er op het creëren van Chris Vanderschaeghe een rem stond. Dat iets hem tegenhield. In een of andere zin afremde. Wat hij aan het doek toevertrouwde was dan wel vaak aangrijpend, maar het bleef doorgaans niet lang genoeg op mijn netvlies kleven. Een van mijn normen in het beoordelen van kunst. Dit nieuwe werk doet wit wel! Het grijpt me zelfs naar de keel.

Misschien ook sprong het om een of andere reden te weinig in het oog. Misschien werden leed en onheil te geësthetiseerd vormgegeven. Hing er een soort mistgordijn voor. Erg in zwang trouwens in de wereld van de actuele beeldende kunst. Leven we immers ook niet in een wereld vol vervaging. Normen. Ethiek. "Ze doen het allemaal, meneer. Niet alleen in de sport, ook in de politiek, de bankwereld, noem maar op."" Zo gaat het vandaag nu eenmaal."

We zijn inderdaad aan veel gewend geraakt. Wiens appetijt slinkt nog terwijl tv-beelden laten zien hoe mensen gedood en verminkt worden of hoe zgn. precisiebombardementen worden uitgevoerd? Via de camera volgen we enigszins geprikkeld het begin van een oorlog en we worden onophoudelijk geconfronteerd met machtswellust, witteboordencriminaliteit, verkrachting, pedofilie, racisme... En het eind van dit vermaledijde spektakel is niet in zicht. Rotzooi went. Ik geef toe dat mij al eens op het hart wordt gedrukt toch maar niet cynisch te worden!

Wat Chris' werk betreft : het heeft niet uitsluitend met de maat der dingen te maken. Iets kleins kan ook behoorlijk nazinderen. En technische bravoure is lang niet altijd aan mij besteed. Veel is aan het kijken zelf gelegen. We botsen op zoveel beeldmateriaal, dat we door het bos de bomen niet meer zien.

Wat is reëel? Wat is verzonnen? Misschien nog zo'n gek idee niet, die stilteplekken in ons hectisch dorpje dat Brugge heet. Schuilen kan nog wel, in verlangen, in schoonheid, in stilte. Wat is de plaats van de kunst vandaag? Wat is de plaats van de kunstenaar? Kan hij afzijdig blijven? Er is zelden meer gecreëerd dan dezer dagen en toch… Kunst kan de wereld niet redden. Zelfs "Kamarama", een kunststroming die beweert dat goeie kunst vooral grappig moet zijn, kreeg een vriend van me niet aan het lachen en maakte Brugge alsnog niet leuker. Vind ik. Veel houvast is verdwenen en net dat zou een criticus boeiend en interessant moeten vinden. Die verterende twijfel, weet je wel. De zekerheid van het onzekere moeten we dan maar koesteren. Mij kan kunst dus wél af en toe een handje helpen… wegdromen.

Maar het lijkt erop, en hierin bevestigt het recente werk van Chris mijn stelling, dat vooral en/of alleen nog beelden die appelleren aan buitenissige drama's, zoals wereldoorlogen, eenmaal ze dan nog een plaats hebben veroverd in het collectief geheugen van het mensdom, ons beroeren. Duizenden witte grafstenen. Onnoemlijk leed in lapidaire abstractie gevat. Ik smeek het oorlogsmuseum in Ieper: bespaar ons bewegende beelden. Of geldt dit alleen voor mijn generatie en voor wie ouder is?

Zeg me waar ik heen moet als ik helemaal geen oorlog wil. Geen staking. Geen geweld. Of is het de kracht van dit werk, zijn het de contrasten, het donkere, donkere zwart van de grofste houtskool en het wit en alle nuances daartussen? Nuance, tiens, een woord dat van zijn praktijk lijkt beroofd.

Vanderschaeghe blikt enerzijds terug. En mengt op knappe wijze wat in het collectieve bewustzijn woekert met zijn persoonlijke ervaringen. Dokters, verplegers, schorten, stofjassen, scholen, rijen, de bel, de kudde, de massa. Anderzijds proef je de bittere smaak van eenzaamheid, decadentie en zotheid. Zottigheid. Gevaarlijke gekte. Verleiding en vlucht. Met kracht rukt hij een doos verhalen open. Elk op onze eigen manier kunnen we ze interpreteren en aanvullen. Voelen we betrokkenheid. De context laat hij aan de kijker over. Hij levert een kern. Eén vol ergernis. Maar van waarschuwen spreken zou ongepast zijn. Daarvoor is Chris te bescheiden.

Mijn bescheiden advies, dan maar? Kijk en droom. Onthoud. Of vergeet. Of vlucht. Liefst in je fantasie. Maar wees niet bang. Omarm die twijfel.

"Zeg me dat het niet zo is. Zeg me dat het niet zo is. Zeg me dat het niet waar is." Een dip had ze, Liesbeth, toen Frank Boeyen een lied voor haar schreef.

 

Johan Debruyne, Brugge, 20 mei 2012